Door: Amy de Ruijter

Deze maand heeft de twaalfde hackathon van het VPRO Medialab plaatsgevonden. We spraken Geert-Jan Strengholt en Toon Toetenel over de hackathon, die als thema open community’s had.

In deze twaalfde hackathon van het VPRO Medialab, die plaatsvond op 2 en 3 september, draaide het om het uitproberen van open source alternatieven die op een bepaalde manier bijdragen aan het bouwen van een community. Het evement werd georganiseerd in samenwerking met NPO Innovatie. In totaal deden er vijf teams mee, met elk hun eigen casus: twee van Pointer, één van Tegenlicht, één van Argos en één van De Publieke Tribune. Het doel was om een open platform te vinden waarmee een community op een duurzame manier opgebouwd en ontwikkeld kon worden, specifiek gericht op de achterban van elk team. Dit werd gedaan door middel van alternatieve tools, die gebouwd zijn op publieke waardes. Geert-Jan organiseerde de hackathon vanuit Medialab; Toon was aanwezig met de nodige kennis over de beschikbare tools. Hoe is het ze vergaan, en welke tools bieden een perspectief voor de toekomst?

De twee teams van Pointer, een programma voor onderzoeksjournalistiek van de KRO-NCRV, gingen ook in hun casus onderzoeksgericht te werk: het ene team, Pointer OSINT (Open Source Intelligence) wilde een community bouwen om actueel videomateriaal te verzamelen. Het live samenwerken in het traceren en analyseren van bronnen vereiste een vorm van directe communicatie. Het andere team van Pointer, Joods Vastgoed, wil juist meer de geschiedenis in kunnen duiken. Het samen opbouwen en uitpluizen van een dossier was hier belangrijk, ook vormt de community zich vooral rondom lokale onderzoeken.

Argos ging met hun casus Thermo Staat op zoek naar een platform voor burgerparticipatie op het gebied van de opwarming van steden. Zij wilden dus vooral een manier vinden om als groep data te kunnen verzamelen en analyseren. Tegenlicht zocht naar een nieuwe manier om lokale Meet Up-groepen met elkaar te verbinden en onderling contact te faciliteren; ook wilden ze de achterban meer in contact brengen met de makers. De Publieke Tribune was vooral gericht op het opzetten van een veilige community waar kwetsbare onderwerpen kunnen worden besproken. ‘Het was tijdens het evenement vooral interessant om te toetsen: waar ligt de gemene deler, waar loopt het op elkaar? Welke tools zijn waarvoor bruikbaar?

Op welke verschillende manieren wilden de teams hun community bouwen, en was er nog verschil in de identiteit van de groepen zelf?

Geert-Jan: De beide teams van Pointer wilden vooral bekijken hoe ze hun eigen onderzoek konden verbreden met de beperkte capaciteit die de redactie heeft voor grootschalig onderzoek. Binnen Pointer verschilde het echter weer dat het ene team op zoek was naar een community op de lange termijn, en dat de urgentie bij het team Joods Vastgoed veel hoger lag omdat het aantal mensen met kennis van de oorlog nu eenmaal snel minder wordt.

Bij Tegenlicht zag je dat er eigenlijk al veel kleine community’s bestaan, die ze nu juist met elkaar in contact willen brengen: zodat de bezoekers van een Meet Up in Groningen ideeën kunnen uitwisselen met de bezoekers in Amsterdam. Dit kan dan weer bijdragen aan de zichtbaarheid voor zowel de redactie als voor de organisatoren van de Meet Ups. Ook is het een manier om de makers van het programma niet meer als zenders te zien, maar als onderdeel van dat netwerk.

De Publieke Tribune heeft dan weer veel te maken met kwetsbare groepen, dus daar is het extra belangrijk dat er een veilige omgeving is en dat het goed wordt gemodereerd. Eigenlijk geldt dat voor elke community: een bepaalde veiligheid moet gewaarborgd kunnen worden.

Hoe is de keuze voor een bepaalde tool per team tot stand gekomen?

Geert-Jan: De eerste dag draaide vooral om: wat is je concept, en wat zijn de vereisten voor je concept voor de vorm van communicatie met je community? Op basis daarvan konden de teams advies vragen bij Toon. Tegenlicht was op zoek naar een tool waarmee ze bijeenkomsten konden organiseren en zowel grotere als kleinere groepen konden formeren. Voor hen lag Mobilizon bijvoorbeeld voor de hand. Een paar teams gingen met Loomio aan de gang, een soort forum, en ook met Element en Rocket.Chat, tools die vooral gericht zijn op chatten. Over de hele hackathon moet gezegd worden: het klinkt als veel tijd, maar dat valt uiteindelijk tegen. We zien de twee dagen dus meer als een intensieve verkenning, zowel van het eigen concept als van de mogelijkheden die de tools bieden.

Toon: In een vooronderzoek ben ik uitgekomen op zo’n 12 bruikbare tools, waarvan ik er uiteindelijk vier – Loomio, Element, Diaspora en Mobilizon – heb gepresenteerd bij de hackathon.

Loomio is een soort forum waar mensen niet alleen met elkaar kunnen praten, maar ook tot actie kunnen worden aangezet. Je kan bijvoorbeeld stemmen, waarmee je kan peilen of er consensus is over een bepaalde stelling.

Element is een soort interface voor Matrix, dat een chatboxplatform is, en als vervanging van bijvoorbeeld Whatsapp gezien kan worden. Dit is goed bruikbaar om mensen op de hoogte te houden over een programma.

Diaspora is een platform waarmee er met een tijdlijn gewerkt wordt, en is dus vergelijkbaar met bijvoorbeeld Facebook en Twitter.

Als laatste kwam Mobilizon aan bod, een platform dat zich profileert als een alternatief voor Meetup.com of Facebook Pages. Hierin kan je als groep fysieke evenementen organiseren en op de hoogte gehouden worden daarvan. Tijdens de hackathon is ook Rocket.Chat, een ander chatboxplatform, aan het lijstje toegevoegd.

Welke rol speelt de online wereld voor deze community’s na het afgelopen jaar?

Geert-Jan: Dat er geen fysieke evenementen hebben kunnen plaatsvinden, heeft ervoor gezorgd dat het online natuurlijk erg urgent is geworden. Er wordt nu ook gedacht aan hybride vormen, waarin je online en offline vormen op zo’n manier met elkaar verbindt dat het elkaar versterkt. Dat zit heel sterk in de online community: fysieke bijeenkomsten zijn nog steeds belangrijk, daaruit beklijft iets dat je online kan representeren. Hoewel deze hackathon onder meer ging over de zichtbaarheid van deze groepen, is het ook fijn om je af en toe in de fysieke wereld zichtbaar te maken als groep.

Het doel was om tools uit te proberen die dienen als alternatief voor populaire sociale media. Denken jullie dat deze 1-op-1 vervangbaar zijn, of kunnen ze ook naast elkaar bestaan om de overstap naar alternatieve tools te vergemakkelijken?

Toon: Ik heb vooral gekeken naar of het gedistribueerde of gefedereerde applicaties waren. Dat is een nieuw aspect aan deze tools: als we Mobilizon als voorbeeld nemen, zou dat betekenen dat ik in één oogopslag zou kunnen zien welke evenementen van verschillende publieke organisaties ik ga bijwonen. De netwerken zijn dus interoperabel, ze kunnen als het ware met elkaar communiceren. Alle tools – op Loomio na – zijn op dit aspect uitgekozen. Dit heb ik vooral gedaan omdat het iets nieuws zou zijn voor de publieke omroep. Elk programma doet namelijk zijn eigen ding, maar je wilt niet dat het losse eilandjes worden. Op de één of andere manier moeten ze met elkaar in verbinding gaan staan.

Uiteindelijk zullen alternatieve tools inderdaad naast gebruikelijke media moeten komen te staan. Die overstap kan simpelweg niet van de een op de andere dag plaatsvinden. Het ging bij deze hackathon om de vraag of je als programma iets anders kán gebruiken, en of de gebruiker daar last van gaat hebben.

Het leuke aan deze hackathon was dat het om heel doelgerichte community’s ging: waar je op de gebruikelijke sociale media een programma misschien kan volgen, en up-to-date kan worden gehouden over de ontwikkelingen ervan, ging het hier echt om co-creatie. De hoge mate van betrokkenheid stelt daarmee ook andere eisen aan de software die je wilt gebruiken. Alleen al in dat opzicht verschillen deze tools qua werking van de gebruikelijke sociale media. Pointer maakte bijvoorbeeld gebruik van Rocket.Chat: hoe zou het zijn als we zouden chatten met onze mensen?

Geert-Jan: Het is belangrijk om rond dit soort veiligere, meer transparante toepassingen een plan te hebben: hoe neem je de mensen mee naar het nieuwe platform? Hoe geef je ze het gevoel dat het iets toevoegt, of ze beter bedient? Dat zal heel lastig zijn. Tegelijkertijd denk ik dat we bij de publieke omroep pakkende onderwerpen hebben die mensen boeien en verbinden, en dat zijn al stappen in de goede richting.

Afgelopen zomer was er bijvoorbeeld Maandverbond: een groep op Telegram waarin mensen 28 dagen lang op hormoonsafari konden gaan om te leren over de menstruatiecyclus. Normaal gesproken zou dat misschien een uitzending zijn geweest, nu zijn de deelnemers meegenomen naar een omgeving die tot op zekere hoogte besloten is, en een bepaalde intimiteit en veiligheid meebracht. In de eerste instantie bereik je dan 3500 mensen: je merkt dat het enthousiasme groot is, er is aanleiding tot gesprek.

Misschien is dit de methode waarop je de transitie geleidelijk kan maken. Hoewel de Telegramgroep nu is afgesloten, is het voor herhaling vatbaar. Net als de hackathon had dit ook te maken met verbinding, hoewel het in dit geval ging om een tijdelijke community – maar ook dat kan heel waardevol zijn.

Zoiets als Maandverbond, maar ook de casussen uit de hackathon, zijn gericht op specifieke community’s. Zien jullie ook al mogelijkheden om het op te schalen?

Geert-Jan: Ons voornemen is om na de hackathon op het gebied van design en techniek ons nog verder te verdiepen. Als ik kijk naar Loomio en Mobilizon zie ik veel mogelijkheden: Mobilizon zou bijvoorbeeld ook voor grotere groepen kunnen werken, door middel van het verbinden van kleinere groepen. Wanneer het gaat om veel verschillende groepen, komt PublicSpaces om de hoek kijken. Wat zijn de gedeelde aspecten, vanuit welke identiteit deel je iets? Wanneer je de gebruiker centraal stelt en de data terug wilt geven aan de gebruiker, heb je natuurlijk iets nodig waarmee die gebruiker kan participeren in verschillende community’s. Dat vereist een bepaalde techniek. Bij de VPRO kan je je bijvoorbeeld al bij verschillende programma’s aanmelden vanuit één proces. Dat soort aspecten willen we ook verder onderzoeken en ontwikkelen.

Zit er een toekomst in de alternatieve tools die zijn getest?

Geert-Jan: De hackathon was natuurlijk niet competitief, maar de twee teams die met Loomio werkten, waren erg enthousiast. Een van de interessante aspecten van Loomio was het samen beslissingen kunnen nemen, iets wat de teams erg aansprak. Op dit moment zijn de tools nog niet in gebruik genomen: de volgende stap is om basis van deze bevindingen en casussen een vervolgonderzoek te formuleren en in gesprek te gaan met de NPO, om daarna te kijken of er daadwerkelijk mee gewerkt kan worden.

Toon: Je ziet dat veel alternatieve tools nog niet perfect werken. We zouden ze meer moeten zien als een mooi beginpunt: omroepen zouden open source en open standaarden moeten omarmen. Het zijn nu waarschijnlijk nog geen turn-key oplossingen, maar door te investeren in de (door)ontwikkeling van deze tools kunnen ze wel op een hoger niveau worden getild. Door het beschikbaar stellen van geld of door eigen ontwikkelaars erop los te laten kunnen de omroepen koers van de software zelf mede-bepalen. Zo kan er gewerkt worden aan een betere integreerbaarheid met bestaande systemen of kan de toegankelijkheid voor de community worden verbeterd.

Lees hier het verslag van de hackathon van Medialab zelf.

Over de geïnterviewden

Geert-Jan Strengholt is creative director en innovation lead bij de afdeling Innovatie en Digitale Media van de VPRO, en verbonden aan het VPRO Medialab. In nauwe samenwerking met makers en creatieven verkent en onderzoekt hij het verhalende potentieel van nieuwe technologieën. Zo werkt hij op dit moment samen met de Tegenlicht redactie aan een door AI en Machine Learning ondersteund Archief van de Toekomst. Eerder ontwikkelde hij onder meer Trees, een interactieve podcast-app met onderzoeksjournalistiek voor en door millennials, waarbij betrouwbaarheid en transparantie van het journalistieke proces voorop stonden.

Toon Toetenel is ondernemer en helpt organisaties, omroepen en uitgeverijen bij het verkennen van technologievraagstukken en het ontwikkelen van digitale producten en diensten. Het gebruik van open source-software en het toepassen van open standaarden vormt hierbij vaak het uitgangspunt.