Door: Timo Nieuwenhuis

Waarom is ‘Open source‘ zo belangrijk voor een eerlijker internet? Een gesprek met software engineer Hugo Heemskerk en techniekfilosoof Jan Hein Hoogstad.

Open source of open bron beschrijft de praktijk die in productie en ontwikkeling vrije toegang geeft tot de bronmaterialen (de source) van het eindproduct.

Wikipedia

Hoe zou je open source omschrijven?

Hugo: Er zijn verschillende manieren om open source te omschrijven. Bijvoorbeeld: software die compleet vrij is, waarvan de bron compleet open is en waarmee je van alles mee mag doen. Je mag het bijvoorbeeld doorverkopen. De continuïteit van die vrijheid kan worden gewaarborgd door een licentie te geven aan open source, waardoor het verplicht is te melden wanneer er aanpassingen zijn gemaakt. Zo wordt het commercieel gebruikt, maar wordt er ook teruggeven aan de community. De meeste ruime definitie van open source zou ik omschrijven als : software waarvan je de code vrij kan inzien, bewerken en hergebruiken.

Jan Hein: De wikipedia definitie is een zakelijke en technische definitie van open source. In principe is daar niks mis mee, maar het helpt je niet om te begrijpen wat er belangrijk aan is. Er zijn namelijk meerdere dimensies van open source. Ik denk dat je met het definiëren van het probleem moet beginnen. Computers en software hebben een hele belangrijke rol in hoe we tegenwoordig met elkaar werken. Alles wordt door middel van computers gedaan. Tegelijk doen computers veel meer dan enkel informatie waarnemen en doorgeven. Ze doen ook veel dingen met de data die ze vanuit jouw gebruik verkrijgen.

De eerste dimensie van open source is die zoals beschreven door de definitie van Wikipedia. Het principe daarvan is dat als we computers gebruiken, het belangrijk is dat we het weten wanneer ze iets doen met de data die ontstaat vanuit het gebruik. Dus dat we ook toegang hebben tot de bron van de informatie die ze verwerken en analyseren. In sommige contexten is dat heel belangrijk, maar in andere contexten ligt die toegankelijkheid wat ingewikkelder, zoals bijvoorbeeld in medische contexten.

De tweede dimensie van open source is dat het leidt tot een andere manier van samenwerken en van software ontwikkelen. De kern van open source is niet dat we de broncode kunnen inzien, maar dat het ons toestaat om op een andere manier met elkaar samen te werken. Het betreft het proces van hoe we software bouwen en dat vind ik veel interessanter. Wat ook niet in de Wikipedia definitie zit, is het geven van liberale rechten aan code. Daardoor kunnen anderen er mee aan de slag door erop verder te bouwen. Kortom, open source is vooral een basis voor een andere manier van samenwerken.

Wat is dan het verschil met closed source?

Jan Hein: Open source is een ecosysteem, waarbij je kan doorbouwen op het werk van anderen. Daardoor ben je niet meer alleen gebruiker. Want bij open source is iedere gebruiker ook potentieel de producent van de software. Terwijl je bij closed source software alleen gebruiker bent van de software: zelfs als je het koopt is je enige relatie tot de software dat je het mag gebruiken. Je mag er niks aan veranderen.

Wat is een voordeel van open source voor het ontwikkelproces?

Jan Hein: Transparantie van het proces, bijvoorbeeld wanneer we het hebben over data. Want op het moment dat Google bij een closed source project zegt dat ze op een privacy gevoelige manier met onze data omgaan moeten we ze maar geloven. Terwijl je bij een open source project kan gaan kijken wat er echt gebeurt met die data. Open source gaat over de transparantie van de code zodat je ziet wat er gebeurt, maar het geeft geen volledige garantie.

Een ander groot voordeel is stabiliteit en veiligheid. Open source software is in de regel veiliger en minder makkelijk te hacken dan closed source software. Dat komt doordat bij open source software de code toegankelijk is waardoor er meer mensen naar kijken. Mensen kunnen zelf met oplossingen komen. Je ziet vervolgens dat er veel sneller problemen rondom stabiliteit en veiligheid worden opgelost.

Daarnaast is het een groot voordeel dat niet elke keer het wiel hoeft te worden uitgevonden. Door gebruik te maken van het intellectuele eigendom van anderen kan je veel sneller nieuwe dingen bouwen. Om open source alternatieven zoals Signal of Jitsi te maken wordt veel gebruik gemaakt van bestaande codes die andere mensen al hebben geschreven.

Wat is een voordeel van open source voor het publiek?

Hugo: Het zou kunnen zorgen voor minder centralisatie, minder paywalls en walled gardens. Dat zou een positieve verandering zijn aangezien deze laatste beperkend kunnen zijn voor de vrijheid van het publiek. Bij een paywall wordt namelijk pas digitale toegang verleend tot informatie nadat men eenmalig of structureel geld daarvoor betaalt. Daarnaast is een walled garden een plek waarbij meestal één bedrijf alles bepaalt wat daarbinnen gebeurt.

Ter illustratie, bij Apple en Google moet je aan allerlei richtlijnen voldoen om een een app te publiceren binnen de Appstore of Google Play Store. Veel functionaliteiten die niet passen binnen hun richtlijnen worden direct aan banden gelegd of zelfs niet toegelaten. Het is daardoor lastig om als nieuwe app binnen die applicatiewinkels te komen. Je bent onderworpen aan de grillen van techreuzen. Wanneer je bijvoorbeeld een nieuw open source alternatief voor WhatsApp of Instagram ontwikkelt kan zo’n tech-gigant zomaar beslissen de applicatie niet aan te bieden binnen hun store.

  • GitHubBitbucket en Gitlab zijn voorbeelden van plekken waar je open source software kan downloaden.

Of, wat er op dit moment speelt, is dat WhatsApp de terms of use verandert in het nadeel van het publiek. Ze kunnen dit doen vanwege hun monopoliepositie. En door het netwerkeffect; je móet WhatsApp bijna wel gebruiken, omdat iedereen in je omgeving het ook gebruikt. Met een open source alternatief voor WhatsApp zou de kans kleiner zijn dat we worden bespionierd door de eigenaar van de app.

Ander voorbeeld: je Gmail account kan zomaar, om wat voor reden dan ook, definitief worden geblokkeerd. Dit gebeurt bij willekeurige consumenten. Als je niet veel volgers hebt op Twitter en daar ophef kunt veroorzaken, heb je vrijwel geen kans om je Gmail account terug te krijgen. Desondanks gebruiken veel mensen Gmail, omdat het spamfilter van Gmail enorm goed is, beter dan die van elk ander. Doordat Gmail een closed source is zorgt dit vervolgens voor een enorme monopoliepositie en kunnen ze met jouw account doen en laten wat ze willen. Als e-mail gedecentraliseerd en open source zou zijn zouden we dat monopolieprobleem niet hebben.

  • Recent kwam in het nieuws dat Apple in 152 landen meewerkt aan het weren van lhbtiq+-apps, wederom een voorbeeld van de grote maatschappelijke gevolgen van zogeheten walled gardens.

Hoe kan de transitie naar meer open source werken makkelijker worden gemaakt?

Hugo: Dat is denk ik vooral een competitieprobleem. Je zou bijvoorbeeld met de mededingingswet af kunnen dwingen dat Whatsapp een open source protocol map moet gebruiken zodat andere mensen de code kunnen inzien en kunnen verkennen hoe het werkt. Dat wanneer een closed source tool te populair wordt je bepaalde delen moet open sourcen. Anders kan je zo’n netwerkmonopolie-effect niet doorbreken. Dus dat is geen technisch probleem, die zijn al grotendeels opgelost. Het zijn vooral sociale- en coördinatie problemen.

Bovendien speelt het een grote rol dat mensen weinig kennis hebben over software. Het zou een verschil maken als we alle kinderen zouden leren om te programmeren, net zoals ze moeten leren lezen, schrijven en rekenen.

Jan Hein: Ik denk dat het belangrijk is dat de eindgebruiker daarin zijn eigen verantwoordelijkheid neemt. De laatste tijd hebben we het veel over dat mensen vaak data weggeven in ruil voor services, maar daarbij hebben ze geen duidelijk beeld van wat er gebeurt met die data. Er wordt vaak gezegd dat men moeten weten dat ze zelf het product zijn en niet de gebruiker. Maar ik denk dat we ernaar toe moeten dat men niet alleen gebruiker is, maar het liefst ook producent, of op z’n minst kritisch is op hoe software in elkaar zit. Dat men zichzelf niet meer ziet als slechts gebruiker, maar ook als producent en mede-eigenaar. Dat mensen niet alleen maar mediaconsumenten zijn, maar ook mediaproducent.

Het zou een mooie basisvaardigheid zijn als men zelf leert programmeren. Anders krijgen we straks een tweedeling in de maatschappij, net zoals die van hooggeletterdheid en laaggeletterdheid. Een groep die afhankelijk is van Big Tech en een groep die de technische realiteit wel op een andere manier kan benaderen en eigen keuzes kan maken.

Daarbij vind ik niet dat iedereen moet kunnen programmeren, maar dat iedereen een basisvaardigheid in het lezen en begrijpen van code moet hebben. Als je leert lezen en schrijven wordt je ook niet direct een schrijver genoemd. En dat is echt de transitie waarin we zitten. We denken er nog steeds over als een afgeschermde expertise. Terwijl het naar mijn mening veel meer een vaardigheid zou moet zijn die heel veel mensen bezitten, die ze soms wel gebruiken en soms niet gebruiken net zoals lezen en schrijven.

Daarnaast geloof ik niet zo in wetgeving als oplossing van het probleem, omdat je vaak ziet dat wet en regelgeving veel negatieve nevenwerking heeft. De GDPR bijvoorbeeld is voor grote bedrijven veel gemakkelijker om in te voeren dan voor een kleine starter. In eerste instantie lijkt het alsof het een goed doel dient, maar vaak kan het als neveneffect juist leiden tot een nog grotere machtspositie voor grotere gevestigde partijen. Voor Facebook is het bijvoorbeeld helemaal niet zo lastig om een publieke API ter beschikking te stellen. Voor een kleine beginner met minder tijd en resources is dat juist een hele dure stap.

Is er dan geen goede wetgeving gemaakt?

Jan Hein: Ik denk dat het heel lastig is om hiervoor geschikte wetgeving te maken. Het is ook een beetje intrinsiek aan wetgeving dat je niet van te voren kan overzien wat de consequenties ervan zullen zijn. Zoals bijvoorbeeld bij belastingwetten, bedrijven die een hoop geld hebben kunnen vaker gemakkelijk langs die wet- en regelgeving heen dansen.

Dus de onkritische houding van de gebruiker is het probleem en met wetgeving los je dat probleem niet op?

Jan Hein: Klopt! Wel denk ik dat de overheid een belangrijke rol kan spelen bij het stimuleren van de goede open source alternatieven. Daar zouden ze meer in moeten investeren. Op den duur zal correctieve wet- en regelgeving dan hopelijk steeds overbodiger blijken te zijn.

Dus de stap is nu om meer mensen basisvaardigheden te geven rondom software?

Jan Hein: Ja de volgende stap is dus onderwijs, voorlichting, helpen faciliteren en het stimuleren van de positieve ontwikkeling.

Voorbeelden van open source alternatieven:

Wil je direct overstappen van Google Drive naar open source alternatief Nextcloud? Lees dan ons artikel over hoe je kunt overstappen naar Nextcloud.

WIRED schreef een verdiepend artikel over hoe open source software-ontwikkeling kan democratiseren. Lees voor meer verdieping ook ons interview met de Stichting Open Source & Overheid over hun projecten BackMe.org en Rewrited.news.

Over Hugo Heemskerk

Hugo studeerde Media en Cultuur voordat hij zowel een Bachelor als een Master in Informatica behaalde aan de Universiteit Utrecht. Momenteel werkt hij als data engineer. Daarvoor heeft hij twee tech startups gehad waarbij hij rollen vervulde zoals software developer en machine learning engineer.

Over Jan Hein Hoogstad

Jan Hein promoveerde op Filosofie aan de Universiteit Utrecht en is ondernemer en software architect. Hij is gedreven om online en offline ruimtes te verbeteren en te ontwikkelen door gebruik te maken van technologieën zoals AI. Hij werkte onder andere als onderzoeker en docent op verschillende universiteiten (Utrecht, Berlijn, Amsterdam, Minneapolis). Daarnaast is hij actief betrokken bij PublicSpaces en pleit hij voor een open en inclusief internet.