Interoperabiliteit en federatie voor een eerlijker en diverser internet

Welke kansen kunnen interoperabiliteit, federatie en alternatieve sociale media ons bieden? Een gesprek met Roel Roscam Abbing.

aerial photo of pile of enclose trailer

Door: Timo Nieuwenhuis

Waarom kunnen we via ProtonMail wel een e-mail versturen naar een collega die Gmail gebruikt, maar kunnen we vanaf Signal geen bericht sturen naar onze opa op Whatsapp of Facebook?

Hoe kunnen we overstappen naar alternatieve sociale platformen, zonder het contact met ons netwerk te verliezen? Om deze vraag te beantwoorden gingen we het gesprek aan met PhD-kandidaat Roel Roscam over eventuele oplossingen voor een eerlijker en diverser internet. Welke kansen kunnen interoperabiliteit, federatie en alternatieve sociale media ons bieden?

Bekijk hieronder de bijdrage van Roel Roscam Abbing op de PublicSpaces Conferentie ’21:

Roel, hoe ziet jouw ideale internet eruit?

“Ik zou een internet willen zien dat de gebruikers niet exploiteert. Een internet waar iedereen aan kan deelnemen op een veilige en eerlijke manier. Een internet waarin je zelf kan kiezen via welk platform je communiceert. Waarbij het mogelijk is om te blijven leren en te blijven ontdekken”.

Waar gaat jouw PhD onderzoek over?

“Tijdens mijn onderzoek bestudeer ik hoe alternatieve sociale media platforms proberen de concentraties van macht kleiner te maken door te federeren. Ik kijk niet naar nieuwe alternatieven voor Facebook, maar naar platformen die proberen een nieuwe en meer diverse infrastructuur te maken op het web”.

Waarom federatie en hoe kan het ons helpen aan een meer diverse web-infrastructuur?

We zijn als mensen goed in het creëren van prettige sociale omgevingen in de fysieke wereld. Online zijn we daar minder goed in. Daar hebben we veel minder keuze. Wanneer we ons sociale leven verplaatsen naar een online omgeving, wordt vaak vergeten dat je daar als gebruiker constant wordt gemonitord. De online platforms zijn ontworpen om onze aandacht langer vast te houden en we worden daarom afgeleid van het eigenlijke doel dat we hadden: ons sociale leven onderhouden. Online is onze aandacht de olie geworden voor de commerciële machine die het internet is geworden. Het verdienmodel komt bij veel Big Tech platformen vòòr de belangen van de gebruikers, met alle nadelige gevolgen nadien. Daarom is het belangrijk dat we kijken hoe we onze online omgevingen net zo prettig kunnen maken als onze offline omgevingen.

“We kunnen het internet en de sociale platformen namelijk alsnog naar onze eigen hand gaan zetten”.

Federatie kan hier een grote rol gaan spelen. Federatie en interoperabiliteit zijn mogelijk twee van de dingen die we in de gereedschapskist hebben om een publiek internet te maken. Uiteraard naast zaken als open source software, reproducible builds en publieke financiering. Federatie is echter alleen mogelijk wanneer er ook interoperabiliteit is. Je zou interoperabiliteit kunnen uitleggen als het basisprincipe dat systemen met elkaar kunnen samenwerken. De mogelijkheid verschillende smartphones op te laden met dezelfde USB lader is een vorm van interoperabiliteit. Daarentegen zetten de meeste big tech bedrijven juist in op ‘intra-operabiliteit’, waarbij hun systemen enkel kunnen samenwerken met de systemen van dezelfde fabrikant. Dit is ook deel van de ‘platformization’ waar José van Dijck onderzoek naar doet.

E-mail is ook een bekend voorbeeld van federatie. Een mailservice van ProtonMail, Gmail, en Outlook hebben verschillende infrastructuren, servers en apps. Toch kunnen deze verschillende mailservices gemakkelijk berichten met elkaar uitwisselen. Ze zijn interoperabel met elkaar en kunnen dus samenwerken. Dat is het idee van federatie. Het zou mooi zijn als we dit zouden doortrekken naar meer dan alleen mailservices. Zoals bijvoorbeeld naar sociale media. Dan zou je bijvoorbeeld zelf kunnen stoppen met het gebruik van Big Tech platformen, zoals YouTube en WhatsApp, en toch het contact met je netwerk kunnen behouden. Dit doordat je bijvoorbeeld via PeerTube of Signal een bericht kan sturen naar iemand op YouTube of WhatsApp.

Platformdiversiteit kan verschillende kansen bieden voor een eerlijker en diverser internet. Als er meerdere appstores op onze smartphones kunnen worden geïnstalleerd, krijgen alternatieve platformen namelijk de kans om te groeien. Momenteel kan je op een Android of iPhone geen apps publiceren die niet zijn goedgekeurd door de Google Play Store of de Apple Appstore. Wellicht zou het al schelen als je op bijvoorbeeld een Android ook apps kunt downloaden via de Apple Appstore. Het zou nog beter zijn wanneer dit ook zou kunnen via een publieke appwinkel.

Met een grotere verscheidenheid aan platforms wordt de kans groter dat de contentmoderatie ook meer divers wordt. Momenteel worden bijvoorbeeld door een select groepje binnen Facebook de regels voor contentmoderatie bepaald, die gelden voor de gehele wereldwijde groep aan gebruikers. Dit terwijl de normen, waarden en wensen enorm kunnen verschillen binnen deze immens grote en diverse groep aan gebruikers.

“Facebook is een wereldgemeenschap, maar wat acceptabel is qua content verschilt per cultuur“.

Wanneer er meer platformdiversiteit is, zal er meer ruimte zijn voor culturele diversiteit in het beleid rondom contentmoderatie. Door federatie kan contentmoderatie namelijk lokaler worden afgestemd. Hierdoor hoeven groepen met verschillende wensen elkaar niet te hinderen in wat zij wel en niet acceptabele content vinden. Dit zie je al in alternatieve sociale media platforms zoals Mastodon. De vraag is uiteraard hoe goed dat allemaal opschaalt.

Daarnaast zouden federatie en interoperabiliteit de optie kunnen bieden om data van huidige sociale platformen te importeren naar nieuwe alternatieven. Hierdoor zou het mogelijk zijn om als gebruiker van een nieuw alternatief platform te blijven praten met mensen die hier geen gebruik maken, maar wel nog van Facebook of YouTube.

Kan wetgeving ons helpen federaal te gaan?

Daar wordt in de Europese commissiemomenteel naar gekeken in de Digital Services Act, wat een nieuw pakket wettelijke kaders behelst voor digitale platformen die actief willen zijn in Europa. De DSA is deels bedoeld om de huidige monopolisering van Big Tech bedrijven tegen te gaan, die het Europese alternatieven lastig maakt om de markt te betreden.

In de Digital Services Act wordt er onder andere gekeken of interoperabiliteit voor appstores kan worden afgedwongen. Hierdoor zullen immers ook andere sociale platformen de kans krijgen om te groeien wanneer ze ook te downloaden zijn op bijvoorbeeld een iPhone.

Welke alternatieven vallen jou op tijdens jouw PhD onderzoek?

“Ik kijk naar platformen die werken met het Activity Pub protocol. Eén van de bekendste daarvan is Mastodon. Dit betreft platformen die allemaal gebruik maken van de Mastodon-server waardoor ze met elkaar kunnen communiceren. Bij deze platformen maken de gebruikersgemeenschappen hun eigen beleid rondom bijvoorbeeld contentmoderatie. Daarnaast bepalen ze zelf het verdienmodel”.

“Een community op deze platformen hoeft zich niet te conformeren naar de generieke waarden van een wereldcommunity zoals op Facebook”.

Hierdoor hebben de gebruikersgemeenschappen veel meer vrijheid om het platform te creëren naar hun eigen behoeftes. Dit biedt de kans voor gebruikersgemeenschappen om hun eigen cultuur ook online te behouden.

Is het voor een Mastodon-platform makkelijk om te groeien?

Het is eigenlijk de vraag waarom we denken dat platformen altijd moeten groeien. We verwachten van een restaurant in Amsterdam ook niet dat deze de ruimte biedt aan heel de wereldbevolking en aan al hun wensen voldoet.

“Het grote verschil bij gefedereerde alternatieve sociale media is dat ze niet altijd proberen om zo groot te worden als een Facebook”.

Ze willen namelijk geschikt zijn voor een bepaalde community en daarvoor hoef je niet enorm groot te zijn. Daarnaast maakt federatie het juist mogelijk om vanuit een kleiner, specifieker platform met mensen op andere platformen in contact te blijven. Wellicht moeten we ook anders gaan kijken naar sociale media en niet meer verwachten dat platformen heel groot moeten zijn om interessant te zijn.

Momenteel is toegankelijkheid nog wel een keerzijde van gefedereerde sociale media. Als iemand bijvoorbeeld gebruikt maakt van Facebook kan deze persoon gemakkelijk via de applicatie of website connecties vinden. Daar werken alle koppelingen goed samen, alles is daar intra-operabel.

Daarentegen is het voor gefedereerde sociale media nog een grote uitdaging om ze gemakkelijk te laten samenwerken. Het kan namelijk zo zijn dat jij zelf op de Mastodon server zit, maar dat je gemeenschap op een andere server zit. Daarnaast is het minder eenduidig wat het verschil is tussen de server software, de naam van het specifieke platform, de gemeenschap waarvan je lid bent en welke apps je kunt gebruiken. Dit komt mede omdat het allemaal zo gedecentraliseerd is.

Wat is het meest hoopvol? De alternatieven of het federatief maken van huidige sociale media?

“Dat ligt eraan welk doel we willen nastreven. Daarbij denk ik dat na het openbreken van Facebook door middel van interoperabiliteit het alsnog een problematisch platform zal zijn. Het zal niks veranderen aan de manier waarop ze omgaan met de persoonlijke data van gebruikers. Het mogelijk maken om via Signal met iemand op Facebook te communiceren lost dat probleem niet op. Daarvoor zouden we strengere privacywetten moeten hanteren”.

“Momenteel is het bijvoorbeeld lastig om op de hoogte te blijven van evenementen als je niet op Facebook zit. Aangezien bijna elke organisatie die een evenement organiseert dat alleen op Facebook publiceert. Hierdoor blijft men deels afhankelijk van het platform. Het interoperabel maken van Facebook, waardoor de evenementenkalender op meerdere platformen kan bestaan, zou de transitie naar alternatieve platformen een stuk makkelijker maken”.

Kortom, er is geen eenduidige oplossing. We zullen het moeten oplossen door zowel meer alternatieve platformen te creëren als door populaire platformen zoals Facebook ook interoperabel te maken.

Hoe kan Big Tech zich hiertegen verzetten?

Big Tech bedrijven zijn zich bewust van hoe interoperabiliteit hun machtspositie kan doen verminderen. Daarom denk ik dat ze het of helemaal gaan omarmen en daarbij naar de eigen hand gaan zetten of dat ze het juist hevig gaan tegenwerken.

Twitter is een mooi voorbeeld van hoe het lijkt alsof ze het omarmen, maar tegelijkertijd ook proberen te beïnvloeden. Doormiddel van het bluesky project kijkt Twitter naar de mogelijkheid van interoperabiliteit bij microblogging. Hierbij kunnen we onszelf afvragen of Twitter het beste voor heeft met de gebruikers of juist met de aandeelhouders.

Je kan het bluesky project, waar verder eigenlijk nog vrij weinig over bekend is, wat mij betreft namelijk op twee manieren lezen: ze kunnen dit project bijvoorbeeld gebruiken om al het beschikbare talent te laten werken aan een project dat ze uiteindelijk toch niet gaan gebruiken. Hiermee weerhouden ze het talent om elders te werken aan projecten die wel kansrijk zijn. Of, ze voeren dit project puur als een verweer aan voor de mededingingszaken die nu lopen in de VS en Europa en de toezichthouder probeert af te dwingen dat Twitter moet worden opengebroken vanwege haar monopoliepositie.

*Wil je meer lezen over het bluesky project? Lees dan het kritische stuk van The Verge.

Maar dan is er de kans dat het alsnog interoperabel wordt?

“Ja, echter de resterende vraag is ‘op welke manier?’. Aangezien er dan een situatie ontstaat waarin een platform, zoals Twitter, zelf de kaders van haar eigen regulering kan bepalen. Het zou daarom een beter scenario zijn dat de overheid zelf het initiatief neemt in de regulering van interoperabiliteit van Big Tech platformen. Historisch gezien is interoperabiliteit namelijk een belangrijk middel geweest voor mededingingswetgeving om monopolies open te breken. Dat is bijvoorbeeld goed gelukt met telecomnetwerken in Europa. Er gaan in wetenschappelijke kringen nu dus ook meer geluiden op* dat afgedwongen interoperabiliteit ook een geschikt middel zou kunnen zijn om Big Tech aan te pakken”.

*Lees bijvoorbeeld de papers van Peter Swire en Chris Riley.

Over Roel Roscam

Roel Roscam Abbing is Phd-kandidaat in Interaction Design aan de Universiteit van Malmo. Daar doet hij onderzoek naar alternatieve sociale media, online federatie en digitale gemeenschapsinfrastructuren. Daarnaast is hij als ontwerper en kunstenaar actief voor onder andere LOW←TECH MAGAZINE waar hij met solar.lowtechmagazine.com probeert ‘degrowth’ in het ontwerp van ICT systemen toe te passen.

Gerelateerd