Het internet ís te repareren, als organisaties en individuen zich realiseren hoeveel macht ze werkelijk hebben en de krachten bundelen. Er is werk aan de winkel. Lees hier een terugblik op track 1 ‘Wat is er mis met het internet?’ van de PublicSpaces Conferentie. 

Wat er mis is met het internet? Oei, heb je even? De sprekers van de track ‘What’s wrong with the internet?‘ (video) van de PublicSpaces conferentie zijn er allemaal van overtuigd dat het internet stukken beter zou kunnen: veiliger, inclusiever, privacy-vriendelijker, transparanter en interoperabel, zodat je bijvoorbeeld moeiteloos je WhatsApp-gesprek meeneemt naar Signal. De vraag is: hoe komen we daar?

José van Dijck, hoogleraar media en digitale samenleving aan de Universiteit Utrecht, heeft al een voorzet gegeven in haar keynote (bekijk de video). Op verzoek van gespreksleider Geert-Jan Bogaerts van PublicSpaces legt ze nog even uit wat er misgaat als we niets doen. ‘Internet wordt beheerst door bedrijven die publieke waarden zoals autonomie en gelijkheid niet meenemen in hun werkwijze. Als we niet handelen, verliezen we de controle op de publieke ruimte. Dan raken we bijvoorbeeld de autonomie kwijt op ons eigen onderwijs en onderzoek.’

Kiezen voor alternatieven

Er staat dus heel wat op het spel. Veel publieksvriendelijke alternatieven zijn ook al voorhanden, wachtend op doorontwikkeling en massale ingebruikname. Waarom gebeurt dat niet?

‘Gebrek aan bereik en bewustzijn,’ denkt Dennis Pennings van The Good Cloud. ‘Op het schoolplein kan ik al niet uitleggen waarom ik geen WhatsApp heb. Ook onder bedrijven is de angst groot om een digitale dienst te gebruiken die de rest niet heeft.’ The Good Cloud zet open source alternatieven in om een privacy-vriendelijke cloudomgeving aan te bieden. Pennings is ook it-consultant voor gemeenten en ziet dat er bij aanbestedingen vaak überhaupt niet aan open source wordt nagedacht. Dat komt deels door onbekendheid, maar een gebrek aan gebruikersvriendelijkheid speelt ook een rol.

Frustrerend, vindt Jaap-Henk Hoepman, universitair hoofddocent privacy bij de Radboud Universiteit en de Rijksuniversiteit Groningen. ‘Bij de Snowden-crisis hadden we geen gebruikersvriendelijke alternatief voorhanden, en in de coronarisis eigenlijk wéér niet. Het alternatief hoeft er maar één keer uit te knallen en we kiezen noodgedwongen weer voor Google Docs.’
Graag ziet Hoepman dat er in Public Spaces-verband nieuwe platforms ontstaan en bestaande diensten worden doorontwikkeld met gebruikersbehoeften als uitgangspunt. ‘Voor een technicus zijn emoji’s irrelevant, maar voor de gross van de gebruikers zijn ze doorslaggevend.’

Gebruikersgemak is ook weer niet heilig, is de consensus aan de tafel. Publieksvriendelijkheid, dus voldoen aan publieke waarden, is net iets belangrijker dan alle individuele gebruikersbehoeften kunnen bevredigen. Een beetje wrijving mag best.

Wie betaalt, bepaalt

Hoe help je mensen om een andere keuze te maken? Op het gebied van bewustzijn is er iets aan het veranderen, ziet Jet de Ranitz, CEO van SURF, de ict-coöperatie van onderzoeks- en onderwijsinstellingen. ‘Kijk maar hoeveel mensen er onlangs naar Signal overstapten. Als SURF willen we dat instellingen bij ons de alternatieven kunnen vinden. Een hogeschool of universiteit moet zeker weten dat het goed is geregeld. Sommige dingen doen we daarom zelf, omdat we sommige data niet bij commerciële aanbieders willen stallen. In het publieke domein moet je soms andere keuzes maken en zelf investeren om te kunnen borgen wat je lief is.’

Daar zit een deel van de pijn. Diensten van big tech zijn vaak gebruikersvriendelijk en vertrouwd, maar bovenal voordelig of zelfs gratis. Van Dijck: ‘De overheid en SURF moeten duidelijke keuzes maken welke diensten zij cruciaal vinden voor het beschermen van de publieke ruimte én ze moeten bereid zijn om daar geld in te steken.’

‘Wie betaalt, bepaalt,’ vult internetpionier Ruben Brave aan. Hij ziet met lede ogen aan hoe de fundamenten van het internet, de protocollen, steeds meer uit de handen van nerds en universiteiten in die van Huawei en Facebook terechtkomen. ‘Mensenrechten worden niet meegenomen in het schrijven van protocollen,’ zegt Brave. ‘Door erin te investeren kan de overheid zorgen dat daar meer aandacht voor ontstaat.’ Met Make Media Great Again draagt hij een duit in het zakje van een beter internet: een groep kritische lezers maakt kanttekeningen bij nepnieuws of misleidende informatie. De beweging maakt gebruik van een open source annotatie-protocol, waardoor ze onafhankelijk van toestemming van de uitgever kunnen opereren. Zo wil hij tegenwicht bieden aan de ‘publiceer eerst, check later’-mentaliteit die door sociale media wordt beloond.

Publiek meenemen

Voor Isabelle de Klein, hoofd marketing en communicatie bij het Nederlands Film Festival (NFF), speelt een ander belangrijk dilemma mee: publieksbereik. Het is nogal een stap om als culturele organisatie weg te blijven van Facebook, Instagram en YouTube. ‘Onze missie is om het publiek te verbinden aan Nederlandse films en series. Daar spelen sociale media een nuttige rol in.’

Vanuit zijn functie als hoofd digitale media bij de VPRO kan Geert-Jan Bogaerts dat beamen. Omroepen worden onder meer afgerekend op het bereiken van hun publiek, zegt hij. Het spanningsveld waarin het NFF opereert, geldt voor alle organisaties aan tafel in zekere mate. De sprekers constateren echter ook dat ze samen sterker staan dan ze soms denken. SURF is het levende bewijs dat het loont om de krachten te bundelen – ze kregen onder meer voor elkaar dat Microsoft de standaardvoorwaarden aanpaste. SURF blijft graag met de grote bedrijven in gesprek, benadrukt De Ranitz, ‘maar dan op onze voorwaarden.’

PublicSpaces staat voor een flinke hoeveelheid gebruikers én content. Als de aangesloten organisaties samen besluiten om een datahongerig platform te verlaten, dan zijn ze in staat om een beter alternatief tot bloei brengen. Zo doe je dat.

Waar te beginnen?

In de afsluitende ronde leggen de sprekers spontaan een korte checklijst aan:

  1. Realiseer je als individu dat gratis niet gratis is.
  2. Stel vragen over de inkoopvoorwaarden die binnen jouw organisatie gelden. Verander de vraag, dan verander je de markt.
  3. Zorg voor een inclusieve omgeving, zonder nodeloos complex, racistisch of seksistisch taalgebruik (klinkt als een no brainer, maar is in de praktijk nog een hele opgave voor de open source community).
  4. Neem anderen in je organisatie – en op het schoolplein – mee in je overwegingen.
  5. Probeer de tijd tussen praten en actie te verkorten.